‘Nee!’ Christa rukte haar hand weg. Haar ogen schoten door de kamer, langs de onbekende jonge vrouw tegenover haar, het verstelbare bed en de tafel met rozen. Een ziekenhuiskamer. Ze hoorde hier niet te zijn. Zelfs haar eigen handen klopten niet, veel te rimpelig, met afgebrokkelde nagels.
Ergens in de verte rinkelde een bel.
Christa schudde haar hoofd om de doordringende klank kwijt te raken. De vreemde vrouw probeerde opnieuw haar hand te grijpen. Ze zou moeten weten wie dit mens was. Haar naam lag op het puntje van haar tong, maar glipte telkens weg. Christa wilde snauwen dat de vrouw moest ophoepelen, maar ze werd afgeleid. Er sijpelde een soort mist onder de deur door. Ook vanuit het geopende raam stroomde de witte damp de kamer binnen. De mist draaide en kolkte, als de woeste Agbokim-watervallen in Nigeria. Voor ze kon schreeuwen was heel de kamer opgeslokt. Ze snakte naar adem. De bel rinkelde, harder en harder, tot haar oren ervan suisden.
Plotseling was het voorbij. De mist rolde omhoog als een donzig winterdekbed.
Christa knipperde met haar ogen in het licht van de ondergaande zon. Een bries streek langs haar gezicht.
Juffrouw Bertink stond naast haar, met de handen in haar zij. ‘De bel is al gegaan.’ Ze draaide zich met een ruk om en marcheerde weg. Haar hakken tikten op de roodbruine klinkers van het Zusterplein. De warme klanken van een cello dreven het plein op. De muziek kwam vanaf de oude burcht verderop. Het avondconcert bij Slot Zeist was al begonnen.
Met een schok kwam Christa in beweging en holde achter Bertink aan. ‘Het spijt me. Ik wist niet dat het al zo laat was. Er was iets raars…’.
Bertinks donkere ogen gleden over haar heen. ‘Je kent de regels. Als deze je niet bevallen, ben je vrij om te vertrekken.’ Ze hief haar wijsvinger. ‘Die keus maak je één keer. Daarna mag je hier nooit meer terugkomen.’
Een siddering trok langs Christa’s ruggengraat. Waar kon ze heen als Bertink haar de deur wees? Het duurde nog maanden voor vader en moeder met verlof uit Nigeria kwamen. Met gebogen hoofd volgde ze de directrice het plein over, de trap op. De voordeur van het meisjesinternaat viel met een klap achter hen dicht.
In de hal wierp Christa een blik in de hoge spiegel. Ze leek veel jonger dan dertien met haar kleine ronde gezicht en bruine ogen. De zondagse kleding van het internaat hing als een zak om haar heen. Ze plukte aan de grijze plooirok en de groene blazer. Christa zuchtte. Haar kanten kapje stond scheef. Ze trok aan de roze strik onder haar kin. Haar spiegelbeeld werd wazig. De spiegel begon te beslaan, alsof er een hete kom water onder het glas stond. Hoe kon dat? Ze boog naar voren en veegde met haar vinger langs het vochtige glas.
Een rimpelig gezicht staarde haar aan door de streep op de spiegel. De ogen waren dof en vol krasjes, als twee knikkers waar te veel mee was gespeeld.
Met een gil sprong Christa achteruit.
Bertink kwam naast haar staan. ‘Weet je wat er op het programma staat?’
‘Leertijd, juffrouw. We moeten ons huiswerk maken voor morgen.’ Hoe kon ze het niet weten? Elk onderdeel van haar leven was strak ingedeeld volgens een vast ritme, afgebakend door de bel. Slapen, eten, kerk, school, huiswerk. De bel regeerde over haar leven.
Ze slofte naar de Leerzaal. Vijfenvijftig bureaus stonden in keurige rijen naast elkaar. Meisjes zaten gebogen over hun boeken. Het enige geluid was het krassen van pennen op papier.
‘Christa!’ De stem van haar zus Margot galmde door de ruimte.
Ze hield haar adem in. Tijdens Leertijd mocht je niet praten en zeker niet schreeuwen.
Margots ogen waren groot en stralend. ‘Mama is er!’
‘Stil, straks wordt de juffrouw boos.’ Christa keek over haar schouder.
‘Luister nou. Het is oorlog in Nigeria en mama moest weg. Ze is hier!’
De schelle klank van de bel onderbrak Margots woordenstroom.
‘Het is etenstijd, Margot. Dat hoor je toch? We moeten naar de eetzaal.’
Haar zus pakte haar hand. ‘Nee gekkie. We gaan naar beneden.’
Even staarden ze elkaar aan, toen begonnen ze te hollen. Ze wurmden zich door de stroom van meisjes die allemaal de andere kant op liepen en denderden de trappen af.
In de hal stond mama.
Christa vloog haar in de armen. Mama’s geur van gember en kaneel omhulde haar. Ze voelde hoe haar hart klopte tegen haar wang.
‘Meisje van me.’ Haar stem was zacht en warm.
Achter mama kringelde witte damp over de vloer. Het zweefde vanaf de keldertrap omhoog de hal in.
‘Wat is er, liefje?’ Haar moeder streek een lok van haar voorhoofd.
Christa’s hart bonsde. ‘Ga je niet meer weg?’
Een glimlach verspreidde zich over mama’s gezicht. ‘Ik blijf altijd bij je.’
Overspoeld door opluchting drukte Christa zich tegen haar aan. De mist droop als dikke stroop langs de muren naar beneden. De kamer loste langzaam op. Nog steeds voelde Christa haar moeders armen om haar heen.
Haar oogleden openden zich moeizaam als roestige rolluiken. Christa hapte naar adem. De lucht stroomde piepend haar zere longen binnen.
De hal was weg. Het internaat was weg.
Ze zat opnieuw in de ziekenhuiskamer met die vreemd bekende vrouw tegenover haar.
‘Mama blijft altijd bij je,’ mompelde Christa. Haar stem was hees en zwaar, alsof ze de sigaren van papa had gerookt.
Het gezicht van de jonge vrouw lichtte op. Vlug als water greep ze Christa’s rimpelige hand en legde die tegen haar eigen wang.
Een schok trok door Christa’s vermoeide lijf. Als elektriciteit, maar dan plezierig. Het leek alsof haar hand thuis was, daar op die zachte jonge wang van de vreemde. Het was goed, ook al zaten zij voor eeuwig op deze manier tegenover elkaar, hand op wang.
‘Mama’, fluisterde de jonge vrouw. Haar groene ogen straalden van liefde. Liefde vermengd met pijn.
Christa voelde haar wangen nat worden. De bel zweeg.
Gebaseerd op waargebeurde verhalen | Ik schreef dit korte verhaal op basis van de ervaringen en verhalen van mijn tante over de tijd die zij en mijn moeder doorbrachten in de kostschool in Zeist. Mijn moeder was getroffen door dementie en kon mij deze verhalen helaas niet meer zelf vertellen. In de periode voor haar overlijden ging ze vaak ’terug in de tijd’ en schakelde ze tussen ‘nu’ en ‘vroeger’. Dit heb ik proberen vast te leggen in het verhaal ‘Mist’.

