Als ik bij mijn fiets wil komen, moet ik me een weg banen langs onze vlinderstruik. In de winter leek de vlinderstruik niet meer dan een zielige verzameling bruine stengels. Totdat de lente kwam. Opeens schoot hij de lucht in. Nu lijkt dat stukje van onze tuin één en al vlinderstruik, met lange, zwierige takken barstensvol donkerpaarse bloemen.
De vlinderstruik leeft, dat is niet te missen. Hij neemt ongegeneerd ruimte in. Zo is het in heel de schepping. Alles wat leeft, dat groeit en neemt ruimte in beslag. Hoe is dat eigenlijk bij jou en mij?
Barbapapa’s
Ruimte in beslag nemen is soms moeilijk. We willen niet opvallen, niet anders zijn en vooral niet lastig zijn voor de ander. Misschien heb je de neiging zo min mogelijk ruimte in te nemen. Je maakt jezelf als het ware zo plat als een dubbeltje, zodat niemand last van je kan hebben. Of je past je voortdurend aan, naar wat je omgeving van je vraagt. Dat doet me denken aan de ‘Barbapapa’s’. Dit zijn grappige, felgekleurde figuurtjes uit een oude tekenfilmserie. Van zichzelf zijn de Barbapapa’s een vormeloze homp massa, maar ze kunnen zichzelf veranderen in datgene wat om hen heen gewenst wordt. Een harp, een glijbaan of een dolfijn. U vraagt, wij draaien. Handig, een Barbapapa in je omgeving!
Als je jezelf als Brabapapa gedraagt, vraagt dat z’n tol. Barbapapa-gedrag is enorm vermoeiend. Weet je zelf nog wel wie je eigenlijk bent? Of voel je je vormloos? Soms troost je jezelf met de gedachte dat je in elk geval heel christelijk bezig bent, met al dat aanpassen aan wat je denkt dat nodig is. Maar is dat eigenlijk wel zo?
Ruimte als een cadeau
Als ik de Bijbel lees, zie ik daar het antwoord. De Heer maakte jou met je unieke ‘eigenheid’. Hij gaf iedereen een plek om te zijn. Die plek mogen we vullen. Die ruimte mag je innemen, het is een cadeau. Je mag gehoord, gezien en gevoeld worden. Daar is niets egoïstisch aan.
Als jij de ruimte niet inneemt die God voor jou geschapen heeft, dan is deze wereld een stuk leger en saaier dan Hij had bedoeld. Dus kom maar op! Sta op, laat je zien. We willen je graag ontmoeten!
Deze column verscheen in 2026 in JOZ-magazine

