kaars

Geen woorden

Wat zeg je als iemand doodgaat? Sterkte. Ik denk aan je. Ik bid voor je. Allemaal loze woorden zijn het, hoe ik ze ook meen. Woorden van plastic, leeg en hol. Een rafelige pleister op een groot, donker gat.

We praten niet graag over de dood. We komen het ook niet zo vaak tegen in onze gouden kooi. Als we het tegenkomen is het mooi weggestopt. In de meeste films gaan de bijfiguren dood. De naamloze massa in een overstroomde stad, hulpjes van de slechterik, onherkenbaar in een masker, dappere soldaten in het leger van de held. In het journaal is de dood vaak ver weg genoeg om je niet te raken. ‘Sjonge…duizend doden in dat land verscheurd door oorlog. Wat erg,’ denk je en je kijkt op de klok: ‘Hoe laat komen de boodschappen eigenlijk?’

Opeens is hij daar. De dood staat voor de deur van je geliefde, je vader of moeder, je vriend of vriendin. Hij laat zich niet wegwuiven en zuigt alle gesprekken leeg. Praten over een aankomende vakantie, je nieuwe kapsel, een uitdaging op je werk, waarom zou je? Jullie staan samen voor die gapende leegte en een verschroeiende wind trekt aan jullie haren. Alles verdroogt: Wensen, ideeën, plannen, verwachtingen. Je bijt op je lip tot je bloed proeft.

Nee.
Niet alles verdwijnt.

Het beseft komt langzaam in je op. Je durft het haast niet te grijpen, zo kwetsbaar is het. Eén perspectief blijft. Het staat overeind, als de toren van Rachab in de puinhopen van Jericho. In een enorme donkere kerk wordt een kleine kaars aangestoken. Ondanks het overweldigende duister trekt het kleine licht alle aandacht naar zich toe. Je staart in de vlam. Dit is de essentie van alle hoop. Deze hoop is de kern van jouw leven. Onverwacht klinkt een stem vanuit het licht: ‘Ik laat je niet achter. Ik blijf bij je. Tot het einde en daaraan voorbij.’ Het zijn woorden die doortrillen tot in het diepste van je ziel. Je weet dat je deze stem vertrouwt. Dat deed je altijd al, maar nu nog meer.

Vanuit dat vertrouwen grijp je de hand van degene die naast je staat. Je voelt de vingers van diegene die je zo graag bij je zou houden, maar die je straks moet laten graan. Loslaten in het angstige onbekende, waar alle grip en controle wegvalt. Jullie kijken elkaar aan en voelen de warmte van elkaars handen. Dat is genoeg. Soms zijn er geen woorden nodig, maar slechts een gebaar om te zeggen: ‘Ik blijf bij je en ik zie je straks opnieuw.’

Deze column verscheen in 2025 in het decembernummer van JOZ. Magazine